Die Swart Gevaar.
mei 25th, 2012 § Geef een reactie
De omschrijving ‘die Swart Gevaar’ zal door de meeste mensen meteen worden geassocieerd met de grote boeman tijdens de apartheid, de Zuid-Afrikaanse president P.W. Botha. Dreigend zwaaiend met zijn wijsvinger fulmineerde ‘die Groot Krokodil’ tegen de ‘totale slachtpartij’ die communisten voor Zuid-Afrika in petto zouden hebben. En natuurlijk moest blank Zuid-Afrika volgens Botha ook op z’n hoede zijn voor ‘die Swart Gevaar’. Want die angst was één van de twee pijlers waar de apartheidsideologie door werd geschraagd. Blank superioriteitsbesef – dat zwarten reduceerde tot tweederangsburgers die daarom ‘gecommandeerd’ konden worden onder blank ‘baasskap’ – was de tweede pijler onder de leerstelling van de apartheid. Dat superioriteitsbesef is al zo oud als de permanente blanke aanwezigheid in Zuid-Afrika die – zoals bekend – begon met Jan van Riebeeck die in 1652 voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie een verversingsstations opzette aan de Kaap waar het huidige Kaapstad uit ontstond.
In de botanische tuin van Kaapstad is nog altijd een bewaard gebleven stukje te zien van de amandelhaag die in de tijd van Van Riebeeck werd geplant. Er was toen kennelijk al bij die eerste Nederlanders een drang om zich apart te houden van de inheemse bevolking, de Khoi Khoi, waar zij aan de kaap mee kennismaakten. Dat schreef de journalist Allister Sparks in zijn boeiende boek ‘The Mind of South Africa’, waarin Sparks ook vertelt over Van Riebeecks nooit gerealiseerde plan van een kanaal door het Kaapse schiereiland om zo letterlijk los te komen van het vasteland van Afrika; apartheid avant la lettre. Maar werd die neiging om zich af te zonderen van de inheemse bevolking aan het prille begin van Zuid-Afrika’s kolonisatie toen ook al ingegeven door angst voor de inheemse bevolking? Wat de Kaapkolonie zo bijzonder maakt – schrijft de historicus Hermann Gilliomee – is niet de geweldpleging tegen de oorspronkelijke bewoners; dat was de gewoonste zaak van de wereld ook in alle andere opkomende Europese koloniën. Dat de Europese kolonisten er aan de Kaap echter de voorkeur aan gaven om de autochtone bevolking voor zich te laten werken in plaats van die uit te roeien of te verdrijven; dat – aldus Gilliomee – maakte de Kaapkolonie zo specifiek. In ‘Frontiers’, zijn magistrale geschiedenis over het Xhosa volk van Zuid-Afrika gaat Gilliomee’s collega Noël Mostert nog een stapje verder. Hij oppert dat Zuid-Afrika er wel eens heel anders uit had kunnen gaan zien als niet de Engelse regelneven het in 1795 nodig hadden gevonden om aan de Kaapkolonie orde op zaken te komen stellen.
Als voorbeeld schetst Mostert het fascinerende levensverhaal van Coenraad de Buys, geboren in 1761, een reus van een man die zich op jeugdige leeftijd losmaakte van zijn familie aan de Kaap en als trekboer zijn eigen weg insloeg. Hij kon uitstekend overweg met de Xhosa wier taal hij, naast Nederlands en Engels, perfect beheerste. Hij trouwde een Xhosa-prinses en had daarna nog veel meer Afrikaanse vrouwen. De Buys’ taligheid kwam hem goed te pas als onderhandelaar tussen de Afrikaner boeren en de Engelsen waarbij loyaliteit voor hem een kwestie was van de hoogste bieder.
Aan het eind van zijn leven liet Coenraad de Buys zijn eigen clan na; het Buysvolk. Coenraads nakomelingen wonen nog altijd in Buysdorp in het noorden van de Limpopo Provincie waar zij tussen het huidige Louis Trichardt en het dorpje Vivo aan het eind van de negentiende eeuw van Paul Kruger grond kregen toegewezen. Mostert betreurt het dat Coenraad de Buys geen Zuid-Afrikaanse held is geworden. De onbehouwen boer, ritselaar en opportunist paste immers niet in het pantheon van Afrikaner nationalisten. Hij mocht niet meer dan een voetnoot zijn bij hun geschiedenis. De Buys moet zo rond 1820 zijn gestorven, een jaar waarin de Engelsen al flink waren opgeschoten met het in het harnas jagen van de Afrikaner bevolking; de confrontatie tussen Boer en Brit die zou leiden tot de Grote Trek rond 1838; het begin ook van een groeiend vijandsbeeld van de zwarte als een te beteugelen massa om de toekomst van de blanke minderheid veilig te stellen. Het was met name in de laatste twintig jaar van de negentiende eeuw dat de Afrikaners aan de Kaapkolonie, verenigd in de Afrikaner Bond, in de mijntycoon Cecil John Rhodes een prima bondgenoot vonden om aan ‘die Swart Gevaar’ het hoofd te bieden.
Koppig en hardleers.
mei 18th, 2012 § Geef een reactie
Vorige week haalde de oud-president van Zuid-Afrika, F.W. De Klerk zich nationale woede en verontwaardiging op de hals door in een interview op CNN met journaliste Christiane Amanpour weer eens rustig uiteen te zetten dat apartheid weliswaar moreel onverdedigbaar was maar dat het onder de apartheid uitgevoerde thuislandenbeleid echt zo moreel verwerpelijk niet was. Wat was er toch mis met de gedachte van apart maar op voet van gelijkheid met elkaar samenleven? Ik was wel een beetje verbaasd over de enorme ophef die De Klerks uitspraken bij CNN veroorzaakten, omdat zijn halsstarrigheid om spijt te betuigen over de perversie van apartheid en de uitwassen ervan zoals het thuislandenbeleid in Zuid-Afrika al lang alom bekend waren. In 2001 maakte ik deel uit van een groep Nederlandse en Vlaamse journalisten die in het kader van een rondreis door Zuid-Afrika ook belet kregen bij F.W. de Klerk die bij die gelegenheid tot ieders verbazing toen precies hetzelfde deuntje liet horen. Hij vergeleek het thuislandenbeleid toen met het streven naar Europese eenwording dat volgens hem ook was gebaseerd op de gedachte van eenheid in verscheidenheid. Hij gaf aan zijn perplexe ondervragers wel toe dat de blanke bedenkers van de Zuid-Afrikaanse variant zich hadden verkeken op het gebrek aan enthousiasme ervoor van de zwarte meerderheid. De grondwet-expert Professor Pierre de Vos van de Universiteit van Kaapstad liet op zijn blog weten dat De Klerks onvermogen om toe te geven dat apartheid niet deugde is terug te voeren op het feit dat blanke Zuid-Afrikaners altijd hebben geloofd – en veel van hen nog steeds geloven – dat zij eindeloos meer superieur zijn dan zwarten. Nelson Mandela die in 1993 samen met De klerk in de prijzen viel met de Nobelprijs voor de Vrede had toen al gezegd dat: “als het gaat om zwarten is hij (De Klerk) absoluut gevoelloos”.
Overigens werd de kiem voor het thuislandenbeleid, zoals het tijdens de apartheidsdecennia van de vorige eeuw gestalte kreeg, al gelegd in de negentiende eeuw en wel door de legendarische imperialist Cecil John Rhodes die als premier van de toenmalige Kaap Kolonie was bevlogen van – om niet te zeggen geobsedeerd door – wat toen de ‘native question’ werd genoemd. Dat was wat je noemt een duivels dilemma. Hoe kan een blanke minderheid bestaande uit Afrikaners en Engelse immigranten zich staande houden tegen een overweldigende meerderheid van de oorspronkelijke zwarte bevolking van het land als je die meerderheid enerzijds wil uitbuiten als goedkope arbeidskrachten in de land- en mijnbouw om die dan tegelijkertijd politieke medezeggenschap te onthouden? Het antwoord daarop lag in het legaliseren van de zwarte reservaten zoals die sinds de komst van Van Riebeeck in Zuid-Afrika waren ontstaan. Glen Grey was zo’n zwart woongebied ten noorden van Queenstown en werd Zuid-Afrika’s prototype van een ‘thuisland’ met de invoering in 1894 van de Glen Grey Wet met exclusieve wet- en regelgeving voor zwarten. Toen Rhodes de wet in het Kaapse parlement presenteerde gebruikte hij een terminologie die zijn Afrikaner medestanders als muziek in de oren klonk. Zwarten waren luie donders, zei hij, in het gunstigste geval kinderen en in het andere uiterste barbaren. Maar, vervolgde Rhodes, het moest die zwarten duidelijk worden gemaakt dat de toekomst voor hen er een zou worden van niet meer luieren maar werken. Zwarte werkkrachten dienden daartoe speciaal te worden onderricht. Want, nog steeds aldus Rhodes, de huidige scholen produceerden nu teveel een klasse van zwarten die hij omschreef als de “Kafir parson”; een bewonderenswaardig individu maar als een klasse gevaarlijk want bezig om andere zwarten op te hitsen met het verhaal dat ze worden onderdrukt. Zo werd bij de presentatie van een embryonale thuislandenwet ook een nieuw begrip gelanceerd dat het heel lang zo volhouden: “die Swart Gevaar”.
Dubbele moraal.
mei 11th, 2012 § 3 reacties
De blanke neiging om voor wat betreft ontwikkelingswerk in Afrika met twee maten te meten wordt ook nog eens geflankeerd door het hanteren van een dubbele moraal. Met dat laatste kreeg ik in ieder geval als adspirant-ontwikkelingswerker die op het punt stond om voor de Wereldomroep naar het noorden van Ghana te worden uitgezonden op een nogal indringend persoonlijke manier te maken. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BuZa) dreigde namelijk op de valreep roet in het eten te gooien. Bij een ambtenaar op dat ministerie, toevallig nog een naamgenoot van mij ook, leefde grote beduchtheid voor een botsing van culturen in het noorden van Ghana; mocht ik daar als ontwikkelingswerker neerstrijken. Hij was bang voor bezoedeling van de Afrikaanse hulpontvangers; mijn naamgenoot was er namelijk achtergekomen dat ik homoseksueel was. Een homoseksuele radioman loslaten op een hulpbehoevende plattelandsbevolking; ambtenaar van den Akker vond echt dat daar een stokje voor moest worden gestoken. De adjunct van het Radio Nederland Training Centre (RNTC) vond het allemaal wel een tikkeltje overdreven, maar zo gemakkelijk kwam mijn directe opdrachtgever er niet van af. BuZa eiste een psychologische test om er zeker van te zijn dat de weerloze bevolking van Ghana’s Upper Region gevrijwaard zou blijven van westerse perversies. Had Van den Akker geen gelijk!? Zat die regio al niet met meer dan genoeg ellende opgezadeld? Zo belandde ik in Amsterdam-Oost bij een psycholoog met wie tussen hem en mij een goed gesprek op gang kwam. Realiseerde ik mij wel – zo legde hij mij aan het begin van ons gesprek voor – dat ik heilbrengend werk in dat noorden van Ghana wilde gaan verrichten maar onder die werkomstandigheden ook wel eens in de verleiding zou kunnen komen om seksueel misbruik te maken van wie van mij in die onderlinge werkverhoudingen afhankelijk zouden worden. Ik moet toen hebben geantwoord in de geest van begrip daarvoor met ook zoiets hulpeloos erbij dat ik erg uitzag naar het verzorgen van radiotrainingen in Afrika zonder mij daarbij kennelijk nog voldoende rekenschap te hebben gegeven van mijn mogelijk funeste libidineuze onderstromen.
Zover in de ‘test’ aanbeland had ik wel het gevoel die met vlag en wimpel te zullen doorstaan. Maar de psycholoog bleek toch nog meer pijlen op zijn boog te hebben om naar het ministerie toe terug te kunnen rapporteren. Was ik een regelmatige ‘baanbezoeker’? En hoe zat het met mijn hormonale huishouding; was ik des zomers geiler dan ’s winters. Ik moest de zielenknijper bekennen dat ik voor wat dat laatste betreft van zo’n golfbeweging der lusten nog nooit statistiekjes had bijgehouden en dat ik eerlijk gezegd in dat stadium van onze gedachtenwisseling mijn buik ook wel begon vol te krijgen. Wat was dit voor een raar kruisverhoor. Ik kreeg opeens de aanvechting om die hele uitzending naar Ghana maar te laten voor wat die was.
Uiteindelijk is de toetsing met een kennelijk positieve rapportage naar het ministerie toe toch nog goed voor mij afgelopen. Ook al bleef ambtenaar van den Akker grote bezwaren maken. Zo sprak hij tijdens een van de laatste vergaderingen die er over mijn ‘geval’ plaatsvonden nog eens de vrees uit dat als ik eenmaal in Ghana zou zijn gearriveerd, er een situatie kon ontstaan waarin een ‘vriend’ mij wel eens achterna zou kunnen reizen. Had je daar dan met twee nichten op de rand van de Sahel de poppen niet helemaal aan het dansen? Van den Akker werd gerust gesteld zijn naamgenoot had laten weten zulk een relatie niet te bezitten.
In mijn tot in de puntjes verzorgde tropenuitrusting heb ik in Utrecht waar het vroor dat het kraakte voor een fotosessie geposeerd. Een Utrechtse mevrouw nam mij bij de bushalte totaal verbouwereerd van top tot teen op. Toen zij haar sprakeloosheid had overwonnen vroeg zij: “Waar gaat u naar toe?” “Ik ga naar Afrika!” Antwoordde ik haar beleefd. De wachtende mevrouw dacht daar het hare van.
Bij het Erasmushuis aan de Oude Gracht sloeg een jongen mij van een afstandje gade. “Vieze flikker!” Hoorde ik hem roepen.
Meten met twee maten.
mei 4th, 2012 § 1 reactie
Als nieuwkomer in Afrika kon ik onder m’n klamboe op die avond na de receptie bij Ghana’s kersverse President Hilla Limann, de slaap maar niet vatten en bleef ik mij liggen verbazen over mijn veel meer door de wol geverfde Nederlandse collega’s die er voor wat betreft de Afrikaanse werkelijkheid kennelijk daarop afgestelde maatstaven hanteerden. Dat de revolutionaire Jerry Rawlings corrupte politici had laten executeren vonden zij weliswaar een tikkeltje aan de ruwe kant maar voor Afrika gold nu eenmaal dat het nog verkeerde in het stadium van het hakken en dan moest je niet gaan zeuren over wat rondvliegende spaanders. Nederland had dat stadium al lang en breed achter zich gelaten; daar werden in ongenade gevallen ministers en presidenten immers niet meer in de duinen afgeschoten als verdiende loon voor geleverde wanprestaties. Wij herdenken in die duinen en op vele andere plaatsen in Nederland vandaag nu juist de barbarij van de Tweede Wereldoorlog.
Ook bij Kevin Shillington in zijn boek “Ghana and the Rawlings Factor” (Macmillan Press 1992) klinkt een zekere verwondering door als hij schrijft over de welwillendheid waarop Rawlings in 1979, bij zijn kordate optreden jegens Acheampong en verdorven aanhang, kon rekenen. “De executies”, schrijft Shillington, “werden niet echt veroordeeld”. Die werden geaccepteerd als iets wat onvermijdelijk was. Daar zou het met Rawlings echter niet bij blijven. Nadat hij op oudejaarsavond van 1981 de door hem gedoogde burgerpresident Hilla Limann, opnieuw begeleid door vrolijke marsmuziek op de nationale radiozender van de GBC, had afgezet werd het verdere verloop van zijn politieke loopbaan een jarenlange aaneenschakeling van schending van mensenrechten en het mag daarop terugblikkend verbazingwekkend worden genoemd hoe elegant Jerry daarmee is weggekomen. In Ghana zelf leek het zijn enthousiaste aanhangers in het geheel niet te deren wat voor rotstreken hij uit moest halen om aan de ‘revolutionaire’ macht te blijven. Zijn ongekende populariteit leverde Jerry John zelfs de bijnaam “Junior Jesus” op! Ook in Nederland kon de jeugdige Jezus uit West-Afrika rekenen op meer dan welwillendheid. De Landelijke Ghana Werkgroep (LGW) waar ik na mijn terugkeer uit Ghana als ‘been to’ lid van werd, stond meer dan sympathiek tegenover de Ghanese duvelstoejager waarbij de slachtoffers die hij maakte behoorlijk door de vingers werd gezien. Met mijn Ghanese reisgenoot Skido logeerde ik ooit bij de onderwijzer Daniel Akowua, een vurige aanhanger van Rawlings. Hij woonde midden in een klein stukje ongerept tropisch regenwoud; het weinige dat daarvan in Ghana nog overeind was gebleven. Op de veranda van zijn huis hing een goed bewaard gebleven poster van de Armed Forces Revolutionary Council, de AFRC, het militaire gezag dat van juni 1979 tot september van hetzelfde jaar in Ghana de baas was voordat de macht werd overgedragen aan burgerpresident Hilla Limann. Bovenaan de poster prijkte een grote foto van de martiale J.J. en daaronder stond een portrettengallerij van de leden van de AFRC. Skido wees ze een voor een aan en gaf een toelichting. “Die daar werden eerst z’n nagels uitgetrokken voordat hij werd doodgeschoten.” Het rustige commentaar van Skido veranderde de poster in een reeks bidprentjes.
Net zoals bij Desi Bouterse de decembermoorden uit 1982 hem tot op de dag van vandaag zijn blijven achtervolgen; zo zijn rondom Rawlings vragen blijven hangen over de moord, in juni 1982, op drie rechters en een majoor uit het leger. Maar ook dit vuiltje heeft de mythe van Rawlings ongeschonden gelaten. Die, schrijft V.S. Naipaul in zijn boek “Het Masker van Afrika” (Uitgeverij Atlas 2010) hield nog altijd stand. Hij was de man die zijn carriѐre en misschien zijn leven op het spel had gezet om het volk te dienen. () Als hij had gefaald, kwam dat alleen doordat hij was omringd door slechte mensen.”
Uit de weg geruimd
april 26th, 2012 § 1 reactie
Mijn allereerste kennismaking met ‘Afrika’ was in Ghana’s meest noordelijke provincie, de Upper Region; de tijd dat het met name in West-Afrika zomaar kon gebeuren dat de staatsradio onverhoeds op vrolijke marsmuziek overschakelde. De bevolking wist dan hoe laat het was: een staatsgreep. Werd die enigszins fatsoenlijk uitgevoerd dan meldde een omroeper tussen de marsmuziek door: “Blijf bij uw radio en wacht op belangrijke mededelingen.” Op maandagochtend 4 juni 1979 ging het er in de studio van de Ghanese Radio Omroep wat rommeliger aan toe. Opeens hoorden de vroege luisteraars een opgewonden stem de uitzending onderbreken. “Dit is luchtmacht-luitenant Rawlings. De manschappen hebben mij zoeven uit mijn cel bevrijd. Met andere woorden, (zij) hebben net de toekomst van dit land overgenomen.” Het werd Rawlings’ tweede optreden als redder des vaderlands. Zijn eerste poging tot staatsgreep op 15 mei 1979 mislukte waardoor hij in de gevangenis belandde waaruit hij dus op 4 juni 1979 op spectaculaire wijze werd bevrijd. De succesvolle staatsgreep kostte de militaire leider van Ghana, Ignatius Kutu Acheampong en wat andere leden van zijn corrupte regering het leven. Zij werden nog voor het eind van die maand juni geëxecuteerd. Bijzonder kon het aantreden van de onstuimige Jerry John Rawlings wel genoemd worden. Hij vertegenwoordigde een destijds nieuwe trend in Afrikaanse machtswisselingen; die van de ‘junioren-coups’. Het waren niet langer meer generaals en kolonels die Afrikaanse regeringen uit het zadel wipten maar jeugdige militairen uit de lagere rangen van het leger, zoals Rawlings. Het uitzonderlijke van Rawlings’ optreden was zeker ook dat hij zijn belofte hield en al eind september van hetzelfde jaar de macht overdroeg aan de burgerpresident Dr. Hilla Limann, een gemoedelijke en minzame noorderling. Zo herinner ik mij hem in ieder geval.
Even buiten Bolgatanga, de provinciehoofdstad van de Upper Region, was de presidentiële residentie piekfijn in orde gebracht voor het verblijf van President Hilla Limann ter gelegenheid van een belangrijke landbouwtentoonstelling. Wij, het groepje Nederlandse ontwikkelingswerkers waartoe ik behoorde, waren voor een receptie bij de President uitgenodigd. Zo viel ik dus kort na mijn aankomst in de Upper Region met de cultuurschok nog nadreunend in mijn lijf wat je noemt met mijn neus in de boter; meteen op audiëntie bij een nieuw aangetreden regeringsleider. Zo had ik ook meteen veel plezier van mijn lichtblauwe tropenpak waarmee ik parmantig rondliep op die receptieavond in de tropische tuin die de imposante koloniale villa omgaf. Veel Dorische zuilen en een glanzend rood geboende gallerijvloer. Wit grint knisperde voornaam onder de zolen van mijn maffiose opengewerkte schoenen en ik kon zien dat de keien waarmee de grintpaden waren afgebiesd nog dezelfde ochtend blikkerend wit waren gekalkt. Na de plichtplegingen bij de President groepten wij samen en onder het genot van een glas champagne leverden mijn al zeer ervaren en goed ingevoerde collega-ontwikkelingswerkers hun commentaar op de Ghanese stand van zaken. Ik luisterde aandachtig waarbij er een heel vervelend onbestemd gevoel over mij heen kwam. Het was alsof ik in een verkeerd toneelstuk was terechtgekomen met geen flauw benul van de rolverdeling; laat staan de tekst. Ik hoorde wel dat mijn collega’s op enigszins bezorgde toon over Hilla Limann spraken. Of de goedmoedige man die wij net een hand hadden gegeven misschien toch ook weer zou eindigen op een executieterrein nabij Accra. Met die Rawlings wist je het maar nooit. Tenslotte had hij nog maar kortelings acht regeringsmensen waaronder het toenmalige staatshoofd en twee van zijn voorgangers zonder pardon laten neerknallen. Bernadine, die deel uitmaakte van ons groepje dacht dat het wel mee zou vallen. “Want”, zei zij, “wat Rawlings uit de weg ruimde; over dat tuig hoeft toch niemand rouwig te zijn!? Ik ben het in ieder geval niet.”
Later, weer thuis, hield Bernadine’s oordeelvelling mij onder mijn klamboe nog lang uit mijn slaap. Boven mij maakte de ventilator zacht zwiepende geluiden en buiten hoorde ik het delicate getinkel van piepkleine groene en bijna transparante kikkers; dat klonk alsof honderden dicht bij elkaar hangende paarlemoeren schijfjes behoedzaam door een briesje werden beroerd.
Naar hulpverlenen zulk een mateloze drang
april 20th, 2012 § Geef een reactie
In het alleszins behartenswaardige opiniestuk in de eerste Engelstalige editie van het mooie tijdschrift ZAM (www.zammagazine.com) nam fotograaf en documentairemaker Pieter van der Houwen de ‘do-gooders’ nieuwe stijl, door hem in het stuk de ‘new missionaries’ genoemd, vlijmscherp onder de loep. Over zo’n Nederlandse ‘do-gooder’ die het presteerde om over zijn werk ook nog eens een boek te schrijven, noteerde van der Houwen streng: “Na lezing van het boek kan men niet ontkomen aan de indruk van 19de eeuwse missionaire ijver die niet langer meer spoort met de globaal geworden wereld van de 21ste eeuw”. Van der Houwen maakte naar mijn smaak een wel erg grote stap in de tijd; de 20ste eeuw daarbij maar even vergetend. Over het gewraakte boek dat hij las schreef Van der Houwen voorts: “Men kan niet aan het gevoel ontsnappen dat het project (zoals in het boek beschreven, pvda) meer gaat over de blanke westerse initiatiefnemers dan de hulpontvangers in Mali.” Dat laatste leek mij nou zo typisch iets van de vorige eeuw.
Neem de film uit 1987 van de wereldberoemde Richard Attenborough ‘Cry Freedom’ over de indrukwekkende strijder tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika: Steve Biko. De Amerikaanse acteur Denzel Washington zette hem in de rolprent neer als een fatsoenlijke zwarte met principes die zelfs in een aarzelend blank gezin als ideale schoonzoon met vlag en wimpel zou zijn geslaagd. Vervolgens ontaardt de film in een breed uitgemeten relaas over Biko’s blanke vriend, de journalist Donald Woods, die zo ongekend dapper en slim uit het wrede Zuid-Afrika, waar Biko werd doodgemarteld, wist weg te glippen.
Donald Woods dus als blank rolmodel voor de blanke kijkers naar ‘Cry Freedom’ in Amerika en Europa, met een broertje dood aan apartheid; die lustten daar wel pap van.
Alan Paton’s klassiek geworden roman “Cry the Beloved Country”, in de Nederlandse vertaling “Tranen over Johannesburg” werd schitterend verfilmd net zoals de roman van André Brink, “A Dry White Season”. In die boeken en de daarop gebaseerde films draait het dan om blanke personages, Arthur Javis in ‘Cry the Beloved Country” en de onderwijzer Ben du Toit in “A Dry White Season”, die door een of andere gebeurtenis besluiten om rigoureus de kant te kiezen van de verdrukte en vernederde zwarten met nogal ingrijpende gevolgen voor hun persoonlijke leven. Welke blanke toeschouwer wil zich niet met zoveel noblesse identificeren? Zoals ik eerder al schreef; wij blanken kunnen er niks aan doen. Schuldgevoel, mankerend historisch besef en naar medemenselijkheid zulk een mateloos verlangen, maken ons fantastische hulpverleners.
Voor wat betreft dat tweede aspect, ons historisch besef, herinner ik mij een radio-interview met de toenmalige 20ste eeuwse staatssecretaris van justitie, Mevrouw Korte van Hemel die het toen nogal had begrepen op de instroom van illegale Ghanezen in Nederland. Misschien wist zij bij die gelegenheid dankzij haar voorlichter nog net bijtijds waar Ghana op de kaart van Afrika was te vinden. Dat er zoiets bestond als historische banden tussen Nederland en Ghana; daar had mevrouw Korte van Hemel echt nog nooit van gehoord. Zij deed bij de gelegenheid van dat radio-interview dus een “Leerdammetje”, zoals dat nu wordt genoemd.
Hoe het zat met het korte termijn geheugen van de beroemde schrijver V.S. Naipaul toen hij zijn ervaringen op een recente reis door Afrika te boek stelde, weet ik niet. Met herkenning en zeker ook met verbazing las ik in ieder geval wel zijn onlangs verschenen boek, “The Masque of Africa. Glimpses of African Belief”.
Daarin beschrijft hij namelijk een uiterst geanimeerd etentje ten huize van de voormalige Ghanese leider Jerry John Rawlings en zijn vrouw Nana Konadu Agyeman in Accra. Ik vroeg mij toen bij het lezen van Naipauls relaas al af waar zijn vlijmscherp observeren en vooral zijn be- en veroordelen waren gebleven bij al die door hem beschreven Rawlingse eetgenoeglijkheid. Die vraag herleefde kortelings bij het zien van televisiebeelden bij BVN over hoe Rawlings’ goede vriend Desi Bouterse zich met een amnestieregeling uitwurmde onder de lastigheid van de nog immer niet opgehelderde toedracht van de Surinaamse Decembermoorden uit 1982. Zou Naipaul op een etentje met Desi en zijn vrouw net zo knus hebben teruggeblikt als dat met Rawlings? Zo zette nu uitgerekend V.S. Naipaul mij aan het denken over een onhebbelijkheid die mij zo typisch aan blanken leek voorbehouden; die van het verdoezelen en meten met twee maten. Meer daarover volgende week.
Hiep-hiep-hoera voor Afro-optimisten.
april 12th, 2012 § 1 reactie
In navolging van de Deutsche Welle ben ik bij de radioproducties die ik voor de Wereldomroep samenstelde en die bestemd waren voor Afrikaanse radiostations ook gebruik gaan maken van een klankbordgroep die de programma’s op bruikbaarheid en relevantie moest beoordelen. Mijn klankbordgroep bestond uit studenten uit Afrika die in Den Haag bij het Institute for Social Studies (ISS), een post-doctorale opleiding volgden. Zij kregen ooit een aflevering ter beluistering voorgelegd van een reeks documentaires over de geschiedenis van Afrika ten zuiden van de Sahara waarin de aanloop naar de Conferentie van Berlijn van 1884 uit de doeken werd gedaan. Het ging om de Belgische Koning Leopold II die met zijn niet aflatende hebberigheid voor een eigen kolonie de toenmalige Europese machtsverhoudingen op losse schroeven dreigde te zetten en daarmee de grote mogendheden dwong om hun belangen in Afrika veilig te stellen; of zij dat nou wilden of niet. Een spannende aanloop naar wat leidde tot die conferentie in Berlijn was de race in Afrika tussen de toen al wereldberoemde ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley en zijn rivaal Pierre Savorgnan de Brazza. De onbehouwen Stanley reisde door de binnenlanden van wat Leopolds Congo Vrijstaat zou worden om daar met stamhoofden zoveel mogelijk verdragen te sluiten waarin die stamhoofden hun landrechten overdroegen aan de Belgische Koning.
De Brazza deed in het gebied precies hetzelfde maar dan in opdracht van de Franse regering waarvoor Savorgnan werkte. Over de manier waarop Stanley daarbij te werk ging, gaat het verhaal dat hij de op niets voorbereide stamhoofden voor hun handtekening wist te paaien met geschenken zoals afgedankte kostuums uit de Brusselse opera. De vermelding van deze historische feitelijkheid vond de klankbordgroep ongepast omdat het de Afrikaanse stamhoofden uit die tijd naar de mening van het panel belachelijk maakte. De discussie die erop volgde illustreerde weer eens hoe gevoelig de zaken kunnen liggen als het gaat om de beeldvorming van ‘Afrika’.Of de striptekenaar Hergé zich door het hierboven beschreven gedrag van Stanley heeft laten inspireren bij zijn inmiddels zo omstreden geworden album ‘Kuifje in Afrika’ is moeilijk meer te achterhalen. Bij het treinincident op bladzijde 20 en 21 van het infame album komt in ieder geval een figuur voor in een uitmonstering van Brusselse opera-allure. Bekend is wel dat Hergé die zich voor zijn tekeningen grondig oriënteerde en voor ‘Kuifje in Afrika’ bezoeken bracht aan het door Koning Leopold gestichte Afrika Museum in Tervueren. Zo is de tovenaar waar Kuifje het mee te stellen krijgt nog altijd te zien, helemaal aan het begin van de Leopold-collectie in Tervueren. Heeft trouwens die zo onaangename Stanley destijds met zijn geschenken een trend gezet die tot in Afrika’s post-koloniale tijdperk na is blijven trillen?
De kroning tot keizer van de heerser over de Centraal Afrikaanse Republiek, Jean Bedel Bokassa was in 1979 een theatrale vertoning die zijn weerga niet kende. Ook de toenmalige Oegandese potentaat Idi Amin Dada vond het leuk om in zijn uitmonsteringen met koloniale grandeur te koketteren. En wat te denken van Mobutu Sese Seko die de baas werd van Leopolds onafhankelijk geworden schepping? Hij betoonde zich in ieder geval een modebewuste dictator met de invoering van het nationale costuum van Zaȉre, de ‘abacost’, de afkorting van ‘a bas le costume’, al paste hij verder pefect in het rijtje van potsierlijke potentaten die aan Afrika ten zuiden van de Sahara zo’n droevige erfenis hebben nagelaten.
Geschiedenis is een lastige noot om te kraken; dat geldt zeker voor de turbulente geschiedenis van Afrika. En dan is er ook de nog altijd springlevende onhebbelijkheid om aan elkaar op te leggen hoe ‘Afrika’ te moeten bezien. Zo schrijft de Nederlandse fotograaf en filmmaker, Pieter van der Houwen in de eerste Engelstalige uitgave van het prachtblad ZAM hoe journalisten worden verleid tot óf het catastrofale óf tot het exotische om daarmee hopeloos te falen in het echt ‘portretteren’ van het continent. Vervolgens kapittelt Van der Houwen een Nederlandse auteur die zich te lyrisch en dus naar de smaak van Van der Houwen te paternalistisch over zijn kennismaking met Mali uitliet. Nou mag ik ook maar wat graag te bevlogen Afrika-gangers te kakken zetten; al doe ik dat wel in het besef van het vleugje pedanterie dat mij niet vreemd is. Van dat laatste merk ik bij Van der Houwen niet zoveel. Zo heeft hij het met nogal wat aplomb over ‘het portretteren’ van het continent. Het schijnt Van der Houwen te zijn ontgaan dat er inmiddels al een aardige boekenplank te vullen is met beschouwingen over het wezenskenmerk van het continent; namelijk dat het niet te portretteren valt! Verder schijnt het Van der Houwen ook te zijn ontgaan dat er inmiddels vele boekenplanken zijn volgeschreven over ‘de toestand’ van ‘Afrika’ en in talloze van die publicaties blijkt dan dat er eindelijk ruimte lijkt te zijn gekomen voor een non-raciale kijk op Afrika; daar gaat het om en dat is een ‘hiep-hiep-hoera’ waard voor Afro-optimisten.
Een cursus zwartkijken voor beginners.
april 6th, 2012 § Geef een reactie
Naar aanleiding van mijn vorige blog liet Edith Tulp mij weten bezig te zijn met de oprichting van een denktank die iets moet gaan doen aan de beeldvorming van Afrikanen. Dergelijke initiatieven zijn mij uit het hart gegrepen. Het moet immers maar eens afgelopen zijn met teveel foute opvattingen over ‘Afrikanen’, of moeten wij ons richten op de beeldvorming van ‘zwarten’? In een recente uitzending van Nieuwsuur hoorde ik een geïnterviewde namelijk weer eens beschroomd spreken over het ‘donkere’ deel van de Zuid-Afrikaanse bevolking hetgeen voor mij opnieuw de noodzaak onderstreepte van een cursus zwartkijken voor beginners. Ediths denktank zou daarbij dan nog wel eens heel goede diensten kunnen bewijzen. Maar voor het zover is toch eerst een aantal temperende overwegingen. Sleutelen aan de beeldvorming over Afrika is namelijk al op talloze manieren uitgeprobeerd maar of dat veel heeft uitgehaald; ik waag het te betwijfelen. Ik heb nog boeken in de kast staan met titels verwijzend naar ‘zwart’ en ‘donker’ Afrika. Voor die inmiddels pejoratieve termen uit de oude koloniale doos is al meer dan 25 jaar geleden de neutrale omschrijving “Afrika ten zuiden van de Sahara’ in de plaats gekomen. Nou wil het geval dat de overgrote meerderheid van de bevolkingsgroepen in alle landen ten zuiden van de Sahara zwart zijn en dan mag het gerust potsierlijk worden genoemd om die zwarte bevolkingsgroepen weer aan te gaan duiden met vage kletskoek als: ‘donker’, ‘getint’, ‘anders gekleurd’ en wat er nog meer uit de koker van Hollandse besmuiktheid tevoorschijn komt. Edith zal er zich dus op moeten voorbereiden met haar denktank in een waar mijnenveld terecht te komen van ongerijmdheden en tegenstrijdigheid.
Van meer principiële aard is natuurlijk de vraag waaraan die typisch blanke drang ontspruit om elkaar voor te schrijven hoe de ‘Afrikaanse werkelijkheid’ te beschouwen en te beoordelen. Ik herinner mij nog de heftige discussies op de toenmalige Tilburgse Academie voor de Journalistiek waar zo rond 1983 werd gepleit voor journalistiek maatwerk als het berichtgeving betrof over dat “Afrika ten zuiden van de Sahara”. Met dat maatwerk moest dan een dam worden opgeworpen tegen de al te bevooroordeelde westerse kijk op Afrika. Het waren ook de jaren waarin imperialisme en kolonialisme als excuus voor falend Afrika ten zuiden van de Sahara sleets waren geworden en steeds meer historici en andere beschouwers het wel eens tijd vonden geworden om de leiders van de onafhankelijke Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheid. Het ‘Afrika-ten-zuiden-van-de-Sahara-jargon’ werd toen ook verrijkt met een nieuwe kwalificatie ‘Afro-pessimisme’. Die is tot op de dag van vandaag zo’n beetje als een keurmerk gaan fungeren. Op de flapteksten van publicaties over de nog steeds niet al te florissante ontwikkelingen in Afrika ten zuiden van de Sahara wordt dan namelijk steevast vermeld dat de auteur beslist geen Afro-pessimist is maar constructief en met gevoel voor verhoudingen de Afrikaanse werkelijkheid beziet en beschrijft.
Tja, doe maar eens recht aan de Afrikaanse werkelijkheid; hoe moeilijk dat is ondervond de blanke maker van een alleszins goed bedoelde
televisie-documentaire ooit gemaakt voor de transcriptiedienst van de Duitse wereldomroep, Deutsche Welle. De productie was bestemd voor uitzending in Afrika en daarom werden dat soort programma’s voorgelegd aan een zogenaamde klankbordgroep van zwarte Afrikanen die moesten beoordelen of de inhoud wel geschikt was voor een zwart Afrikaans publiek. De hierboven genoemde televisie-documentaire begon met een prachtig openingsbeeld van een zwarte jonge vrouw die voor de camera uit loopt met op haar hoofd een tot de rand toe gevulde geëmailleerde pan met water. Dat betoverend mooie shot van gracieuze waardigheid werd door de klankbordgroep afgekeurd. De opname was volgens de censuurcommissie een typisch voorbeeld van hoe blanke mannen naar zwarte vrouwen plegen te kijken.
Het zijn net kittens.
december 30th, 2011 § 1 reactie
Op een van zijn reizen door Afrika kreeg de schrijver Adriaan van Dis een ongemakkelijk gevoel. Hij betrapte zich er namelijk op dat hij in de omgang met zwarten opeens een heel andere toon aansloeg; ja, dan een vriendelijkheid aan de dag legde die hij voor zijn mede-Caucasiërs niet in z’n ransel heeft. « Lees de rest van dit artikel »
Diefstal in Afrika
december 23rd, 2011 § Geef een reactie
Het was niet echt consternatie, eerder verschrikt en angstig afwachten die de toespraak van mijn ‘counterparts’ Albert en George bij onze radiostudenten teweeg bracht. Er was in de studio een taperecorder gestolen en ook al moest de onderste steen boven; wij waren vastbesloten om het ding weer terug te krijgen. Albert en George lieten de studenten weten dat daarom de regenmaker zou worden geconsulteerd. « Lees de rest van dit artikel »









