Heldenakkers (3).

13 juni 2013 § 1 reactie

  • Tsietsi Mashinini

    Tsietsi Mashinini

Het was kort voor de twintigste herdenking van de scholierenopstand van 16 juni 1976. Onbekenden bleken op de Avalon begraafplaats van Soweto het graf van Tsietsi Mashinini te hebben geschonden. Meteen deden er geruchten de ronde dat die grafschennis politiek gemotiveerd zou zijn geweest. Tsietsi Mashinini was in 1976 namelijk de activist op de Morris Isaacson High School die de scholieren ook elders in Soweto wist te mobiliseren voor een protestmars tegen de invoering van het Afrikaans als instructietaal op zwarte scholen. Die groeide uit tot protesten over het hele land. Na de veroordeling in 1964 van Nelson Mandela, tot levenslange gevangenisstraf op Robbeneiland als sluitstuk van het Rivoniaproces, werd de scholierenopstand van Soweto het historische keerpunt in de strijd tegen de apartheid.  Tsietsi was toen een vurig aanhanger van Steve Biko’s Black Consciousness Movement en zo kwamen twintig jaar later rond zijn aan stukken geslagen grafmonument de verdachtmakingen op gang aan het adres van Tsietsi’s politieke vijanden die over zijn graf heen hun richtingenstrijd nog eens dunnetjes over zouden hebben gedaan. Helemaal uit de lucht gegrepen waren die verdachtmakingen niet, want ook bij Tsietsi’s begrafenis hadden sprekers van elkaar rivaliserende politieke richtingen al tegen elkaar opgeboden over de vraag waar de overledene nou echt had bij gehoord. Want dat lijkt soms het noodlot van helden; dat er zelfs na hun dood nog wordt gekrakeeld over de vraag bij wie zij moeten worden ingelijfd. De politieke loopbaan van Tsietsi Mashinini is daar een goed voorbeeld van. Als instigator van de scholierenopstand was hij een van de eersten die Zuid-Afrika moest ontvluchten. In september 1976 begon zijn ballingschap in Botwana van daar belandde hij in Liberia waar hij in 1977 trouwde met Welma Campbell, de dochter van een Liberiaanse politicus en ooit uitgeroepen tot Miss Liberia. Uit dat huwelijk dat maar enkele jaren stand hield werden twee dochters geboren. Uiteindelijk kwam hij terecht in Guinea waar Tsietsi onder de hoede werd genomen van Zuid-Afrika’s beroemde zangeres Miriam Makeba die zich daar ook had gevestigd. Mashinini’s levensloop in ballingschap is naarmate de tijd vorderde ook steeds waziger geworden. Precies zoals ook zijn dood in Guinea door grote geheimzinnigheid is omgeven. Tsietsi moet ergens in juli 1990 in de hoofdstad van Guinea, Conakry zijn overleden. Op 4 augustus 1990 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar Zuid-Afrika  voor de begrafenis op Avalon. Maar voor het zover was, waren de vraagtekens rond zijn doodsoorzaak alleen maar groter geworden. Het in het Frans opgestelde post mortem vermeldde een natuurlijke dood. Om daar zeker van te zijn eisten de ouders van Tsietsi echter dat zijn verzegelde kist moest worden geopend voor een nadere inspectie. Tot hun verbijstering zagen zij toen dat het stoffelijk overschot van hun zoon duidelijke sporen van geweld vertoonde. Een oog hing uit z’n kas en achter een van de oren was een grote wond zichtbaar. Voldoende reden dus om de officieel opgegeven doodsoorzaak in twijfel te trekken. Vreemd genoeg hebben de ouders van Tsietsi geen verder werk gemaakt van een autopsie om zekerheid te krijgen over de omstandigheden waaronder hun zoon dan mogelijk wel was gestorven. Zo zijn al de onbeantwoorde vragen rond de dood van Tsietsi Mashinini rondom hem blijven hangen en heeft zijn vader heeft nu nog steeds spijt van zijn nalatigheid. Tsietsi Mashinini, de stuwende kracht achter de Soweto Opstand van 1976 keerde naar huis terug, zes maanden na de vrijlating van Nelson Mandela op 11 februari 1990, om alleen nog maar op Avalon begraven te worden.graf MashininiAls een held werd hij er begraven op de hoek van een van de percelen op dat uitgestrekte Avalon, vlakbij een betonnen mast van hoogspanningskabels die over het kerkhof lopen en – kan het meer symbolisch – pal naast het volgende perceel door een breed pad van het zijne gescheiden. Op dat perceel werd door het ANC Zuid-Afrika’s heldenakker ingericht voor wie streed tegen de apartheid en voor het ‘nieuwe Zuid-Afrika’. Tsietsi Mashinini is daar niet bij komen te liggen. Op zijn grafmonument staat in grote letters “Black Power” gegraveerd. De granieten zerken van zijn collega’s aan de overkant van het pad zijn bijna allemaal getooid met het embleem van het ANC. Pas in 2011 maakte het ANC naar Tsietsi Mashinini een gebaar. Toen reikte President Jacob Zuma aan hem postuum de eervolle onderscheiding uit in de “Orde van Luthuli in Goud”. Verbroedering; het vergt wat tijd.

Heldenakkers (2).

6 juni 2013 § Een reactie plaatsen

Met de aan mij toegewezen gids reed ik vroeg in de ochtend naar de heldenakker van Chinhoyi. Mij leek het dat de norse man naast mij van de middag ervoor ook bleek gezegend met een monumentaal ochtendhumeur. Maar zijn plotselinge gemonkel en gemopper maakte ineens duidelijk waar bij hem de schoen wrong. Door mijn nieuwsgierigheid had de commissaris hem als mijn begeleider zijn vrije dag door de neus geboord. Het was duidelijk dat ik op veel toeschietelijkheid bij mijn missie niet hoefde te rekenen. “Stop”, gebood hij mij. “Hier is het!” Hij stapte uit om voor mij een roestig uit z’n hengsels vallend hek open te slepen zodat ik de zo lang verbeide heldenakker op kon rijden. Het bleek een braakliggend hobbelig terrein waar tussen jonge acacia’s het onkruid tot wel meer dan een meter hoog was opgeschoten. “Dus dit is de heldenakker!?”, begon ik zo monter mogelijk mijn interview. “Dit is het!” Blafte mijn gids in de microfoon op een toon van: ‘Heb je nou je zin!’ Op de vraag waarom er geen graf te bekennen was, kwam geen antwoord. Ik vervolgde met de gewiekste vraag; “Is dit dan wel de plek waar in 1966 strijd werd geleverd?” De gids haalde zijn schouders op. “Misschien, ik weet het niet.” Op mijn koptelefoon hoorde ik de bromvlieg die rond mijn microfoon cirkelde en wat aangeslagen probeerde ik nog een tekstje in te spreken in de wetenschap dat er thuis van dit sfeervolle moment toch echt niks meer te maken zou zijn.

Heroes' Acre, Harare, met militair in vol tenue en het graf van de onbekende soldaat op de achtergrond.

Heroes’ Acre, Harare, met militair in vol tenue en het graf van de onbekende soldaat op de achtergrond.

Die eer is jaren later te beurt gevallen aan de schrijfster Heidi Holland, maar dan niet op  de wellicht ooit geplande heldenakker van Chinhoyi waar het nooit van gekomen is. Zij bracht rond 2008 voor haar boek “Dinner with Mugabe” in plaats daarvan een bezoek aan de heldenakker in de hoofdstad Harare, gesitueerd op een heuvel even buiten de stad. Daar dus werden uiteindelijk de helden uit Mugabe’s balboekje met “extravagante fanfare” naar hun laatste rustplaats gedragen. Holland beschrijft in haar boek hoe zij bij de ingang van de heldenakker annex museum wordt gemonsterd door een militair in vol ornaat met zijn AK47 in de aanslag. Maar na deze wat intimiderende entree blijkt een enthousiaste vrouwelijke gids meer dan bereid om haar rond te leiden. In het museum bekijkt zij het wrak van de daar tentoongestelde blauwe Volkswagen kever waarin de toenmalige leider van Zanu, Herbert Chitepo in maart 1975 werd opgeblazen. Meteen toen hij zijn auto startte, ging de bom af die hem op slag doodde. De gids wijst Holland op de schoenzool die nog op het gaspedaal van de auto is achtergebleven. Op vragen over wie verantwoordelijk was voor Chitepo’s liquidatie geeft de gids een stellig antwoord dat geen tegenspraak duldt: “De agenten van het Smith regime!” De weduwe van Herbert Chitepo, Victoria, die tot 2001 in Mugabe’s kabinet diende, doorbrak toen echter na 16 jaar haar stilzwijgen over de gebeurtenis met de verklaring dat de moord op Chitepo een interne Zanu-aangelegenheid was geweest waarvoor de verantwoordelijken alsnog vervolgd zouden moeten worden. Het buitensporige monument bovenop de heuvel van ‘Heroes Acre’ blijkt opgetrokken uit glanzend zwart graniet in de vorm van een AK47 en ontworpen door Zimbabwaanse en Noord-Koreaanse kunstenaars onder direct toezicht van Robert Mugabe persoonlijk. Op het graf van Mugabe’s grote rivaal van weleer, Joshua Nkomo ziet Heidi Holland verse bloemen liggen. Zij beschrijft hoe Joshua Nkomo stierf als een gebroken man die als zoveel anderen het slachtoffer werd van Mugabe’s niets en niemand ontziende machtspolitiek. De gids vertelt aan Holland dan een heel ander verhaal. Dat van het broederlijke compromis tussen Mugabe en Nkomo tot meerdere eer en glorie van de democratie. En daarom, aldus Hollands gids, legt Mugabe elk jaar daags voor de onafhankelijkheidsviering bloemen op het graf  van zijn opponent van weleer. “Veelbetekenend”, is dan Hollands commentaar. “Mugabe heeft de geschiedenis  naar zijn hand gezet om er verzekerd van te zijn dat zijn geïdealiseerde versie in plaats van de gruwelijke waarheid over hoe hij Nkomo buiten spel manoeuvreerde over Heroes Acre vaardig blijft.” Holland weet in haar fascinerende beschrijving van Zimbabwe’s postkoloniale geschiedenis op het pompeuze kerkhof in Harare ook heel zeker wie daar nooit begraven zal worden. Dat is Morgan Tsvangirai, Mugabe’s huidige moedige tegenspeler van de Movement for Democratic Change (MDC).

Heldenakkers (1).

31 mei 2013 § Een reactie plaatsen

Robert Mugabe, Zimbabwe's "Mobutu" van Anglofoon Afrika.

Robert Mugabe, Zimbabwe’s “Mobutu” van Anglofoon Afrika.

Voor een radiodocumentaire over Zimbabwe’s onafhankelijkheidsstrijd wilde ik ooit sfeeropnamen maken in Chinhoyi, een plaatsje 115 kilometer ten noordwesten van de hoofdstad Harare. In Chinhoyi was namelijk aan het vroege begin van de strijd tegen de onverzettelijke Ian Smith in 1966 al hevig verzet geboden, een jaar dus na Smith’s eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van wat toen nog de Engelse kolonie (Zuid)-Rhodesie heette. Pas in 1980 werd dat Rhodesie het echt vrije en onafhankelijke Zimbabwe onder leiding van Robert Mugabe die zich in de decennia daarna zou ontpoppen tot de huidige “Mobutu Sese Seko” van Anglofoon Afrika. Vijf jaar na Zimbawe’s onafhankelijkheid was Chinhoyi door Mugabe’s partij, ZANU-PF, aangewezen als de plek voor een heldenakker ter ere van de gevallenen in de strijd voor Zimbabwe’s onafhankelijkheid. Het leek mij dus de moeite waard om op die heldenakker een rondgang te maken om in geluid iets terug te roepen van Zimbabwe’s bevrijdingsstrijd. Zo’n bezoek aan een heroȉsch kerkhof bleek echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. In Harare moest ik eerst op bezoek bij het hoofdkantoor van Mugabe’s ZANU-PF, voor een accreditatie om de heilige grond in Chinhoyi te mogen bezoeken. Daar werd ik verwezen naar de plaatselijke ZANU-PF commissaris in Chinhoyi aan wie ik een door het hoofdkantoor in Harare voor mij op schrift gesteld verzoek diende te overleggen. Die eerste bureaucratische horde genomen, reed ik met mijn document welgemoed naar Chinhoyi voor mijn ontmoeting met de plaatselijke commissaris. Na Harare had ik mij er al wel op voorbereid dat er in Chinhoyi voor een radioman uit Nederland bij aankomst zeker geen rode loper zou worden uitgerold. Dat ik op behoorlijke afstand van het plaatselijke  ZANU-PF-kantoor moest aansluiten in een meanderende rij van wel meer dan tweehonderd geduldig wachtende Zimbabwanen die  ook bij de commissaris belet hadden gevraagd voor een onderhoud, viel mij desondanks wat tegen. Toch wist ik na vele uren in de brandende zon de wachtkamer van de commissaris te bereiken, een luxueuze ruimte waar ik in een van de daar opgestelde crapauds voor de doorzetters nog een uur of wat mocht doorbrengen. In dit stadium gelukkig met ruim voorhanden lectuur die bestond uit stapels glossy’s uit Noord-Korea waarin het voor een westerling duidelijk werd gemaakt hoezeer het buiten Kim Il Sungs paradijs toch nog maar hopeloos ploeteren blijft geblazen. Eindelijk zwaaide de dubbele deur van het kantoor open en mocht ik de enorme ruimte waar de commissaris was gezeteld, betreden. Hij zat gekleed in een onberispelijk uniform achter een bureau waarvoor Albert Speer zich niet geschaamd zou hebben. Op de vele vierkante meters bureaublad lagen stapels dossiers en losse papieren. Op de linkerhoek van het imponerende werkblad stond een ventilator die met genegen hoofd loom zwierende bewegingen maakte. De stoel voor het bureau waarop ik mocht plaatsnemen was wat laag uitgevallen, kennelijk bedoeld om wat al te zelfverzekerde bezoekers tot nederigheid te dwingen want zo laag gezeten werd ook ik ondanks mijn postuur gedwongen om tussen alle paparassen door naar de commissaris op te kijken. Hij bestudeerde mijn opengevouwen brief uit Harare die net toen hij was uitgelezen samen met andere losliggende papieren in de luchtstroom van de ventilator werden opgelicht. De commissaris bleek geheel op het effect van zijn nee-knikker ingespeeld want als een volleerd organist boog hij zich dan met gespreide armen voorover om de opwaaiende papieren onder bedwang te krijgen. “Hij zal u morgen naar de heldenakker begeleiden”, sprak hij kortaf en hij wees naar de norse man die voor mij de deuren had geopend en op een afstandje achter mij de wacht stond te houden. Tot mijn extra opluchting over zoveel meegaandheid bleek de commissaris ook nog eens bereid tot een interview. Hij was echter niet van zins om daarvoor achter zijn bureau uit te komen. Ik moest er dus als vanuit mijn hinderlaag met mijn richtpijpje geluidstechnisch van zien te maken wat er van te maken viel. Dat was dus helemaal niets. Ik kwam uit de strijd met nauwelijks verstaanbare inhoudsloze antwoorden waarbij de doffe klappen op het bureaublad waarmee de commissaris zijn opdwarrelende papier onder controle bleef houden en het aanzwellende en dan weer afnemende gedruis van de ventilator zorgden voor de sfeergeluiden waar ik doorgaans bij het maken van opnamen zo op ben gesteld.

Sweet dreams Donald.

27 mei 2013 § 2 reacties

Donald, 30/07/1974 -28/05/2010.

Donald, 30/07/1974 -28/05/2010.

The Protea Hotel in Swakopmund, Namibia, had been built on a pier. So we had the breakers of the Atlantic underneath our pillow. I had been busy transcribing my tapes and at the desk next to our bed I sat down to compile my script for a planned radio feature. So Donald could use my earphones to listen to his favorite music Too nice a scene not to take a picture. So much happiness, captured forever. Sweet dreams, Donald.

Niet huilen!

24 mei 2013 § 1 reactie

Themba en Donald.

Themba en Donald.

Eerder deze week gaf ik mijn vriendin Maria een lift naar haar kantoor in Newtown. Dus reed ik, binnendoor de stad, voor een groot deel de voor mij zo vertrouwde route uit mijn tijd met Donald, als ik die bij zijn kantoor ging afzetten. Het was alsof Maria en ik onze herinneringsklokjes precies gelijk hadden gezet want we begonnen elkaar opeens aan te wijzen hoeveel geschiedenis wij zo ongemerkt over een periode van twintig jaar in Johannesburg hebben gemaakt. Wij passeerden de huizen in Yeoville waar wij allebei ooit hebben gewoond, Bezuidenhout Park waar ik dagelijks de hond ging uitlaten. Tijdens ons wonderlijke autoritje ‘down memory lane’, bedacht ik mij dat ik inmiddels ook twee begraafplaatsen aan mijn Johannesburgse trofeeënkastje kan toevoegen. Dat zijn de West Park Begraafplaats waar Donald begraven ligt en Avalon, het grootste kerkhof van Soweto waar Donalds boezemvriend Themba zijn laatste rustplaats heeft gevonden. Themba overleed drie weken na Donald. In die droevige tijd was het bijwonen van Themba’s begrafenis er voor mij bij ingeschoten, zodat ik pas enkele weken later moest zien te achterhalen waar precies Themba op Avalon een plaatsje had gekregen. Ik had in glas een gedachtenisplaat voor hem gemaakt met daarop de aansporing: Dance Themba, dance with the angels in heaven. Voor dit motto had ik mij laten inspireren door het enorme bloemstuk dat mijn goede vrienden Francis en Michiel op Donalds begrafenisdag via Fleurop lieten afleveren en waar op het bijgevoegde kaartje stond te lezen: Sing Donald, sing with the angels in heaven. Wat was er dus mooier dan Donald en Themba aan gene zijde met zang en dans de boel op stelten te laten zetten; precies zoals zij dat ook zo vaak bij hun leven hadden gedaan. Alleen moest ik nu nog wel Themba’s graf zien te vinden. In het kantoortje aan de ingang van Avalon was een jonge vrouw mij zeer behulpzaam bij het doorzoeken van de begrafenisadministratie en kostte het zowaar weinig moeite om Themba’s grafnummer er uit op te diepen. Hij bleek ergens in een uithoek van het kerkhof te zijn neergelegd en omdat je op Avalon heel gemakkelijk de weg kwijtraakt, bood de aardige vrouw aan om mij naar de plek te begeleiden. Zo reed ik met haar naast mij en achter in de auto m’n glazen gedachtenisplaat, een schop en wat bakstenen om van Themba’s plek toch nog iets aardigs te maken. En of ik het wilde of niet; er kwam een groot verdriet over mij en dikke tranen biggelden over mijn wangen. De aardige vrouw bleek daar niets van te moeten hebben. Don’t cry! Klonk het gebiedend naast mij. Ik prevelde toen nog wel zoiets als een toelichting ter rechtvaardiging van mijn emoties waardoor ik zozeer werd aangegrepen dat mijn tranenvloed alleen maar aanzwelde. Don’t cry! Het klonk nu met stemverheffing niet alleen gebiedend maar naar mijn smaak zelfs ook een beetje dreigend. Opeens kwam er uit mijn verdriet een zekere verontwaardiging bovendrijven. Die durfde ik aan de aardige en behulpzame vrouw naast mij echter niet kenbaar te maken. Het zou immers volstrekt ongepast zijn geweest als ik haar op mijn beurt had toegeschreeuwd: Mag ik het potverdomme alsjeblieft achter het stuur van m’n eigen auto op een huilen zetten!? Later heeft mijn vriend Martin mij uitgelegd dat het in de Afrikaanse cultuur geen pas geeft om de huilebalk uit te hangen. Want wie op die manier zijn of haar emoties toont, laat daarmee ook zijn of haar zwakke of kwetsbare kant zien. Dat moet je dus  maar zoveel mogelijk achterwege zien te laten. Want wie zich kwetsbaar toont, stelt zich bloot aan het misbruik wat de ander daar van kan maken. Ik vind het nog steeds een heel interessante verklaring voor het kennelijk Afrikaanse taboe op huilen dat zo haaks staat op de westerse benadering waarbij het huilen van tranen met tuiten veeleer wordt aangemoedigd als een probate manier om verdriet te boven te komen. Als Martins observatie klopt – en ik heb die inmiddels heel aardig bevestigd gezien door het bijwonen van nogal wat begrafenissen – dan blijft dus de vraag of wij hier te maken hebben met de keerzijde van de Zuid-Afrikaanse cultuur die immers ook zo prat gaat op dat specifieke concept van ubuntu, het niet gemakkelijk te vertalen begrip, maar wel te omschrijven als het zijn als individu dankzij en door de ander. Misschien is het dan ook wel zo dat de Afrikaanse cultuur de trekjes heeft van een Januskop; er ‘zijn’ dankzij de ander waarvan het dan geen kwaad kan om uitgerekend voor die ander toch ook maar op je hoede te blijven.

Poets wederom poets.

17 mei 2013 § Een reactie plaatsen

T-shirt apartheidHet zijn doorgaans onopvallende krantenberichtjes die herinneren aan Zuid-Afrika’s troebele verleden. Zoals dat eerder deze week, over de actie van een hulpverleenster in de jeugdzorg. Die had een oproep gedaan voor een uit huis geplaatst meisje, dat nog geen gastgezin gevonden had. Dat was een dringende kwestie, zo meldde de oproep, want bij ontstentenis van een blank opvangadres liep het meisje het risico terecht te komen in een opvangtehuis voor zwarte leeftijdgenootjes. Zo bracht de vrijwilligster de exclusief blanke hulpverleningsorganisatie waarvoor zij werkte in grote verlegenheid. Die  was er dus als de kippen bij om zich te distantiëren van het wat ongelukkig uitgevallen staaltje racisme. Het incidentje actualiseerde de vraag in hoeverre de schaduw van de apartheid over het land is blijven hangen. Daarmee zijn we dan ook weer terug bij de verzuchting van oud-minister van financiën, Trevor Manuel, die kortelings opriep om de apartheid van weleer niet langer tot  panacee te maken voor de huidige maatschappelijke tekortkomingen. In bepaalde ANC-kringen is daar al enige tijd geleden een ruimhartig voorschot op genomen. Het is in die coterie van schaamteloze graaiers namelijk bon ton geworden om de kritiek op hun zelfverrijking en de verwijten van nepotisme en corruptie te pareren met de verongelijkte reactie: “Mogen wij na 350 jaar onderdrukking en uitbuiting nu  alsjeblieft ook eens wat fouten maken?” Het is een verrassend pragmatische pedant van het ingevoerde beleid van positieve discriminatie oftewel ‘regstellende aktie’ voor de voorheen onderdrukte en achtergestelde zwarte bevolking. De voorstanders van een voorlopige toekomst in een door hen gerechtvaardigde foutenmarge laten wijselijk onbenoemd aan welke termijn dit correctieve tijdperk moet worden gebonden.  In het kader van terugbetaling met gelijke munt of dat van poets wederom poets, lijkt mij een tijdperk van 350 jaar niet onredelijk. Het grote voordeel van de hierboven geschetste finale kwijting van een belast verleden is dan dat er geen woorden meer aan vuil gemaakt hoeven te worden. Het maakt dan ook een einde aan al die  pogingen van de afgelopen twee decennia om met het apartheidsverleden in het reine te komen. Zo was er de Waarheids- en Verzoeningscommissie die ondanks alle tekortkomingen enig soelaas heeft geboden bij de verwerking van apartheidstrauma’s. Rond dezelfde tijd, in 2000, deed de toen nog niet omstreden oud-ambassadeur voor Zuid- Afrika in Nederland, Carl Niehaus, van zich spreken met de oproep aan de blanken zich openlijk te verontschuldigen voor hun medeplichtigheid aan de apartheid. Rond de 500 schuldbewuste blanken zetten hun handtekening onder het collectieve mea culpa. Voor de rest ontketende het initiatief een pittig nationaal debat over de gewetensvraag aan het adres van apartheidsprofiteurs waarbij het opviel dat prominente blanken zoals de schrijfster Nadine Gordimer en vermaard politica Helen Suzman de oproep destijds afdeden als niet meer dan symboolpolitiek.

Weg met Michael Brink.

Weg met Michael Brink.

De veelbesproken loutering, de catharsis na iets meer dan 40 barre apartheidsjaren; het is er gewoon niet van gekomen. Sterker nog; met een onlangs gelanceerd T-shirt voor blanken die zich nog steeds medeplichtig voelen aan het apartheidstijdperk lijkt de discussie weer helemaal van voren af aan te beginnen. Misschien valt het te verklaren uit het gegeven dat de door Nelson Mandela met zoveel overtuigingskracht in gang gezette zoektocht naar waarheid en verzoening; het met elkaar delen van een rauw en conflictueus verleden vooralsnog is verzand in een ideologische loopgravenoorlog over het eigen gelijk. Een ontmoedigend staaltje daarvan geeft Pretoria waar de gemeenteraad nog steeds niet genoeg heeft van naamsveranderingen. In het centrum werden zo’n 25 straatnamen gewijzigd maar om de inwoners en bezoekers van de stad te gerieven bleven de oude namen met een rode streep erdoor nog even staan.

Uitvoerend burgemeester van Pretoria, Kgosientso Ramokgopa.

Uitvoerend burgemeester van Pretoria, Kgosientso Ramokgopa.

Onlangs vond, Kgosientso Ramokgopa, uitvoerend burgemeester van de stad, dat iedereen genoeg tijd had gekregen om de nieuwe straatnamen te memoriseren en werden de doorgestreepte bordjes verwijderd. Als het gaat om kinderachtigheid, om jennen en sarren dan doen de voor- en tegenstanders van het namengedoe niet voor elkaar onder met de ene rechtszaak na de andere tot gevolg. Het delen van een gemeenschappelijke geschiedenis blijkt dus een nogal venijnige opgave. Of om met de historicus Charles van Onselen te spreken: “Nationalist mantras, mouthed by Armani-dressed elites on behalf of the ragged-trousered masses, are often as blinkered in scope as they are short on memory.”

Symboolpolitiek.

10 mei 2013 § 2 reacties

Symboolpoliticus Diederik Samsom.

Symboolpoliticus Diederik Samsom.

Het lijkt mij een betrekkelijk nieuw fenomeen in Nederland; dat er nu zoiets bestaat als gewone politiek en symboolpolitiek. Voor dat laatste zag ik de Fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid, Diederik Samsom op de televisie een lans breken toen hij eerder deze week met partijgenoten in Eindhoven discussieerde over het strafbaar stellen van illegaal verblijf in Nederland. Hij hield zijn achterban voor, dat de daarover met de VVD gemaakte afspraak in het regeerakkoord eigenlijk helemaal niks meer voorstelde. Samsom betoogde onder andere dat vreemdelingen al heel aardig en stevig werden aangepakt en dat het criminaliseren van illegalen daar nauwelijks nog extra gewicht bij in de schaal zou werpen. Diederik onderstreepte deze schets van een beleidsmatige bagatel door het minimale ervan met duim en wijsvinger aan te geven. Ik vond dat Samsom het daar in Eindhoven allemaal gewiekst en parmantig over het voetlicht wist te krijgen. Het was ook wel weer het oude liedje van hoe sociaal-democratische leiders principiële kwesties aanpakken. Dat is namelijk precies hetzelfde als een zuigeling met mes en vork te zien eten. Samsoms delicate gebaar van duim en wijsvinger alsof hij zijn gehoor een erwtje toonde riep bij mij opeens volstrekt ongepaste associaties op. Zoals die met de videoclip in het Apartheid Museum waar je Hendrik Verwoerd aan de wereld ziet uitleggen dat het door hem bedachte thuislandenbeleid door de buitenwacht zo jammerlijk verkeerd werd geïnterpreteerd. Het was volgens hem immers het toonbeeld van ‘goed nabuurschap’. Verwoerd wist zijn knollen destijds ook gewiekst en parmantig aan de wereld te verkopen met dat hoge stemmetje van ‘m, vergezeld gaande van die typisch christelijk blije lach der uitverkorenen; door de Heer zelf in de nek gekriebeld. De internationale gemeenschap trapte er niet in en weigerde de thuislanden als zelfstandige naties te erkennen.

Symboolpoliticus Hendrik Verwoerd.

Symboolpoliticus Hendrik Verwoerd.

Wat Verwoerd ermee bedreef was symboolpolitiek avant la lettre. Die bleek uiteindelijk niet uitvoerbaar net zoals het nu in Nederland voorgenomen strafbaar maken van illegaal verblijf. Toch heeft de PVDA zich om der wille van regeringsverantwoordelijkheid op het gladde ijs van die symboolpolitiek begeven; uitgerekend over een kwestie waar het als vooruitstrevende partij ooit, in de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika, zo mordicus tegen was; namelijk het door wettelijke bepalingen degraderen van de meerderheid van de bevolking tot tweederangs burgers, tot wetsovertreders ook, die, als zij hun pasje niet konden laten zien, in de cel belandden, of werden gedeporteerd naar hun woongebieden. In Nederland gaat het uiteraard over een heel kleine minderheid voor wie het zo’n vaart niet lopen zal. Maar wat als straks zo’n nsb-er als Wilders weer politiek aan zet zou komen? Dan zal hij toch niet aarzelen om de met de complimenten van VVD en PVDA klaargelegde wettelijke honkbalknuppel ook echt te gaan gebruiken. Ik verval nu in demagogisch gebral want enige tijd geleden kreeg ik in het NOS-Journaal van parlementair verslaggeefster Nynke de Zoeten een strenge les voorgeschoteld. Zij legde uit dat het in het hedendaagse Nederlandse debat over normen en waarden absoluut geen pas meer geeft om te refereren aan iets uit de Tweede Wereldoorlog. Dat diskwalificeert de betreffende deelnemer en zet zo’n discussie ook volkomen vast. Omdat ik mij in dit stukje nu toch al in de voet geschoten heb kan ik nog wel wat verder over de schreef gaan. Want blijft het niet helemaal waar dat met die gele ster van weleer achteraf bezien ook een knap staaltje van symboolpolitiek werd geleverd. Wel jammer dat die sterrendragers er zo’n zware pijp door moesten roken.

Bitterballen.

3 mei 2013 § Een reactie plaatsen

KoninginnedagAlles wat er in een vrij geworden voormalige kolonie mis had kunnen gaan; dat was zo’n twintig jaar na de onafhankelijkheidsviering in Ghana in 1957 ook faliekant fout gegaan. Tegen die tijd droegen ook alle andere landen die zich ten zuiden van de Sahara van onder het koloniale juk hadden uitgewurmd tamelijk eensgezind bij aan de beeldvorming van Afrika als het verloren continent. In de geschriften van mensen als Frantz Fanon en Walter Rodney – laatstgenoemde schreef zijn boek: “Hoe Europa Afrika onderontwikkelde’ – werd dit gesomber eloquent en met kracht van argumenten verwoord. Hun vertogen gingen er bij met Afrika solidaire types in als Gods woord in een ouderling. In Nederland was in die tijd zo ongeveer elk door het kolonialisme geblutste en gedeukte Afrikaanse land wel door een werk- of solidariteitsgroep vertegenwoordigd. Ik werd zelf lid van de in 1981 opgerichte Landelijke Ghana Werkgroep en heb daarin bescheiden maar achteraf bezien niet minder onwaarachtig mee geneuried in de koorzang voor de verworpenen der aarde. Want onze doelstelling was even eenvoudig als protserig tegelijk; wij zouden het gederailleerde Afrika wel weer even in het goede spoor krijgen; te beginnen met Ghana. Dat onze bevlogenheid in paternalisme niet onderdeed voor dat van de missionarissen van wie wij aan het begin van onze klus vergaderruimte mochten gebruiken, drong toen nog niet ten volle tot ons door. Toch begonnen er tegendraadse geluiden op te klinken. Zo vroegen Britse historici zich af of het niet eens tijd was geworden om de inmiddels tweede generatie Afrikaanse leiders aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheid in plaats van alles en iedereen in Afrika tot hulpeloos slachtoffer te reduceren van eeuwenlang doortrapt blank beheer en onderdrukking. Er is daarna een lawine aan publicaties op gang gekomen waarin de Afrikaanse geschiedenis vanuit die invalshoek werd benaderd. Als solidariteitsbeweging heeft de Landelijke Ghana Werkgroep het tot 1991 weten vol te houden. Daarna hebben wij Ghana aan haar lot over moeten laten. Ik weet niet of er een causaal verband was maar na onze opheffing ging Ghana er ineens met sprongen op vooruit, maar dat terzijde. Nu is in Zuid-Afrika een vergelijkbare discussie losgebarsten. Zijn alle tekortkomingen in het land te rechtvaardigen met verwijzingen naar de apartheid als de bron van al dat kwaad? Oud-minister van financiën Trevor Manuel vindt dus van niet en daagt daarmee de schaamteloze uitvreters die het nu in het regerende ANC voor het zeggen hebben, uit tot wat meer kritisch zelfonderzoek. Zo herleeft dus op regionaal vlak een vijfentwintig jaar geleden aangezwengeld debat over de  verantwoordelijkheid van Afrika. Dat was – zo lijkt mij – ook te verwachten. Wie de kaart van Afrika bekijkt, ziet dat Zuid-Afrika lijkt op zo’n papieren koffiefilterzak. Zuid-Afrika dus als een koffiefilter waarin alle drab van eeuwen doorsijpelde en pas nu toekomt aan herbezinning op een complex verleden. Is Trevor Manuel op tijd met zijn ontketende discussie? Of is ie misschien wat voorbarig? Want z’n vraagstelling suggereert dat de apartheid nu in het verleden ligt vergrendeld. En dat is zelfs in 2013 nog maar de vraag. Zo was ik aanwezig bij de Koninginnedagviering op de Nederlandse ambassade in Tshwane. Alle bezoekers waren blank en voor de gelegenheid in uitbundig oranje uitgedost. Alle obers en serveersters waren zwart en liepen rond met schalen bitterballen,verse haring en knapperige worstjes. Zo ging ook aan mij zo’n plateau met bitterballen voorbij. Naast mij stond een Nederlandse jonge moeder met haar twee kinderen van -zo schat ik – negen en elf. Net als haar kroosthad zij vrolijke Nederlandse vlaggetjes op haar wangen geschilderd. Nog voordat ik mijn hand naar een bitterbal had kunnen uitstrekken werd het oranjezonnetje naast mij bevangen door ongeremde begerigheid. Zij ontvouwde wat servetjes en graaide alle bitterballen bij elkaar. Kijk zo doen wij dat! Leek haar glimlach haar kinderen en mij te vertellen. Vervolgens bracht zij een pakje sigaretten tevoorschijn en tikte er een handje uit dat de zwarte ober kreeg toegestopt als beloning voor zijn gedweëe medewerking aan haar graaipartij. Mijn vriendin Maria had de reeks handelingen met stijgende verbazing en groeiende verontwaardiging bekeken die de moeder met haar bevlagde wangen niet ontgingen om aan haar lach iets verontschuldigends toe te voegen. Waarop Maria haar toebeet: “Ik kan er echt niet om lachen.” Ik had een foto van het tafereel moeten maken. Die zou in het Apartheid museum niet hebben misstaan.

Een late roeping.

26 april 2013 § 1 reactie

Het zijn vaak de details in het leven van indrukwekkende persoonlijkheden die ontroeren, of mededogenoproepen. Zij brengen die grootheden dan weer terug tot een menselijke maat. Neem de onstuimige Marcus Garveyen zijn grandioze droom over ‘terug naar Afrika’. Hij benoemde zich, enigszins voorbarig, tot president van het continent. Uiteindelijk is Garvey in 1940 in Londen overleden zonder ooit een voet op Afrikaanse bodem te hebben gezet. Robert Sobukwe, die in Zuid-Afrika het Pan Africanist Congress (PAC) stichtte werd door het apartheidsregime als zo staatsgevaarlijk beschouwd dat een speciale ‘Sobukwe clausule’ in de strafwet werd opgenomen. Zo kon Sobukwe ook na het uitzitten van zijn gevangenisstraf op Robbeneiland en weer thuis in Kimberley tot zijn overlijden onder huisarrest worden geplaatst. Die nietsontziende aanpak trok een zware wissel op Sobukwe’s psyche. In zijn laatste levensjaren, hij overleed in 1978, was hij ervan overtuigd geraakt dat de Zuid-Afrikaanse autoriteiten over een machine beschikten waarmee zij hem op afstand als een robot konden manipuleren. Frantz Fanon raakte zo compleet ondergedompeld in het vraagstuk van de verhoudingen tussen blank en zwart dat hij, schreef Stephan Sanders ooit  in een artikel, er absoluut zeker van was dat de leukemie die hem trof niet anders dan door blanken bedacht had kunnen worden. Zoals ik eerder schreef introduceerde Fanon in zijn werken de koloniale persoonlijkheid die onder het koloniale juk vervreemd is geraakt van zijn oorsprong. Toen Thabo Mbeki in 1998 – hij was toen nog vice-president onder Nelson Mandela, zijn ‘African Renaissance’ introduceerde was dat concept doortrokken van aanhalingen uit de Black Consciousness canon – W.E.B. du Bois, Frantz Fanon, Amilcar Cabral en anderen. Zelfs Mbeki’s biograaf, Mark Gevisser, was toch wel enigszins beduusd over Mbeki’s opmerkelijke ommezwaai in zijn politieke opvattingen. Thabo Mbeki had daarvoor immers nooit iets laten merken van sympathie voor de strijdlustige heethoofden uit het BC-kamp. Tegenover Gevisser verduidelijkte Mbeki dat hij uit ballingschap terugkerend in Zuid-Afrika een samenleving aantrof die hem schokte. Nergens elders in Afrika had het kolonialisme volgens Mbeki zo vernietigend huisgehouden dan in zijn eigen vaderland. “Zuid-Afrikanen zijn geen Afrikanen meer, het zijn Europeanen geworden,” stelde hij vast. Als het gaat om de filosofie van het zwarte bewustzijn dan zou je Thabo Mbeki een late roeping kunnen noemen die zich ontpopte tot een Don Quichotte die in de onuitstaanbare scribent Ronald Suresh Roberts zijn Sancho Panza vond. Laatstgenoemde schreef een niet te pruimen hagiografie over zijn held onder de titel “Fit to Govern, the native intelligence of Thabo Mbeki.” Daarin wordt grondig afgerekend met alles wat blank is en dan vooral met vooruitstrevend, oftewel ‘liberal’ blank; de echte vijanden van zwart; want onoprecht, dubbelhartig en doortrapt. Zo heeft Thabo Mbeki tot zijn politieke val in 2007 gezorgd voor meer dan een zwarte bewustzijnsbries met als absoluut dieptepunt zijn onbegrijpelijke stellingname in de aids-epidemie die hij glashard afdeed als het fantoom van een blanke samenzwering. De storm die hij daarover ontketende is inmiddels verstild; de begraafplaatsen in het land leggen getuigenis af welke prijs werd betaald voor Mbeki’s onwrikbaarheid. Nog wel steeds actueel is die hierboven aangehaalde observatie van Thabo Mbeki over hoe hij Zuid-Afrika in 1990, bij zijn terugkeer uit ballingschap, aantrof. Volgens hem dus veel zwaarder beschadigd dan enig andere voormalige Afrikaanse kolonie. Daarover zijn de gemoederen enigszins in beweging gekomen toen oud-minister van financiën, Trevor Manuel onlangs in een opiniestuk betoogde dat het tijd werd om maar eens op te houden om negentien jaar na de verkiezingen van 27 april 1994 apartheid de schuld te blijven geven van de hedendaagse tekortkomingen in de Zuid-Afrikaanse samenleving. Daar is het laatste woord zeker nog niet over geschreven. Het is een interessante stelling omdat hij als twee druppels water lijkt op een vergelijkbare discussie die in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd gevoerd over post-koloniaal Afrika dat volgens historici en analysten toen ook bleef vasthouden aan de koloniale erfenis als excuus voor corruptie en de andere karakteristieken van falende staten. Dat zou te sleets geworden zijn om de eigenverantwoordelijkheid nog langer met de mantel der liefde te bedekken.

Aan tafel.

19 april 2013 § Een reactie plaatsen

In zijn fameuze toespraak “I have a dream” riep Martin Luther King in 1963 het beeld op dat: “() One day on the red hills of Georgia the sons of former slaves and the sons of former slave owners will be able to sit down together at a table of brotherhood.” Aan Steve Biko werd jaren later gevraagd of hij als de leider van de Zwarte Bewustzijnsbeweging in Zuid-Afrika bereid was om met blanken aan tafel te gaan zitten. Jawel, had Biko daarop geantwoord, maar dat is dan wel aan mijn tafel. Die is leeg en kaal, ontdaan van al die frutsels en fratsels waarmee een blanke tafel is gedekt. Met deze twee zo haaks op elkaar staande beelden van een tafel van verbroedering en die van ongenaakbaarheid, worden de uiterste polen van het zwarte bewustzijnsdenken heel mooi geïllustreerd. Robert Sobukwe, de oprichter van het Pan Africanist Congress (PAC) en Steve Biko die de Black Consciousness Movement (BCM) initieerde werden in Zuid-Afrika de proponenten van de radicale stroming binnen het zwarte bevrijdingsdenken. Het ANC bleef vasthouden aan het uitgangpunt van non-racialisme in de strijd tegen de apartheid. Tegen die tijd had een nieuwe zwarte denker naam gemaakt: Frantz Fanon. Zijn beroemd geworden boeken ‘Zwarte huid blanke maskers’ (1952) en ‘De Verworpenen der Aarde’ (1961) waren in de roerige zestiger jaren de verplichte leesstof voor de activist. Ook Steve Biko, zo blijkt onder andere uit zijn geschriften, liet zich inspireren door de gedachten van Frantz Fanon die als geen andere in staat bleek om de ‘koloniale persoonlijkheid’ minutieus te ontleden. Maar, zo schrijft Biko’s biograaf Xolela Mangcu, Steve Biko was bepaald geen onbeschreven blad toen hij voor het eerst kennismaakte met schrijvers als Fanon. Biko past volgens Mangcu in een typisch (Zuid)-Afrikaanse koloniale traditie van de missiescholen. Biko, ook het product van een missieschool, vertegenwoordigde volgens de historicus Noel Mostert, de laatste Afrikaanse generatie die nog kon profiteren van die traditie. Zo werd ook Steve Biko de verpersoonlijking van de door de missiescholen opgeleide Afrikaanse elite. Hij werd niet helemaal beheerst door anti-blanke sentimenten, was innemend en maakte op mensen indruk met zijn scherpe verstand; kortom Steve Biko paste opmerkelijk genoeg heel goed in het rijtje van zijn illustere voorgangers zoals John Dube en de andere ANC-leiders uit de beginjaren van de beweging. Zij het natuurlijk dat hij  wel rigoureus brak met de traditie van de meegaande zwarte die zijn plaats kende in koloniale verhoudingen. In een recensie heeft Xolela Mangcu er nogal van langs gekregen omdat hij in zijn Biko-biografie volgens de kritische beschouwer wil aantonen dat Biko’s gedachtegoed vooral is gegroeid uit de specifiek Zuid-Afrikaanse traditie van verzet en leiderschap. Daarbij waren het  in de negentiende eeuw de traditionele leiders die hun kinderen naar missiescholen stuurden om zo onder andere op bestuurlijk vlak met de koloniale bestuurders in de pas te blijven. In de beschouwing wordt dat afgedaan als onzin. Ik vind dat onterecht. Het boeiende van Mangcu’s speurtocht is in ieder geval een verhelderende reconstructie van negentiende eeuwse ontwikkelingen in de huidige Oostkaap Provincie en de enorme betekenis die die hebben gehad voor de verdere ontwikkelingen in Zuid-Afrika en voor het leven en werk van Steve Biko. Mangcu maakt daar zoveel werk van dat Fanon, de internationale ontwikkelingen zoals de oorlog in Vietnam, de burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten en de studentenrevoltes in Parijs, Berlijn en Amsterdam er in zijn Biko-biografie nog minder dan bekaaid vanaf komen en Biko’s persoonlijke groei en stellingname met dit tijdsgewricht als achtergrond oningevuld blijft. Toch maar mooi meegenomen blijft, dat Mangcu’s boek weer eens de aandacht vestigt op de ‘koloniale persoonlijkheid’ zoals die door Frantz Fanon werd ontrafeld. Want aan koloniale persoonlijkheden en koloniale ‘hang-ups’ is in Zuid-Afrika ook negentien jaar na de eerste vrije democratische verkiezingen nog steeds geen gebrek.

  • Berichten uit Londonstreet Johannesburg

    Vanuit zijn 'kasteeltje op een richel' aan Londonstreet schrijft Peter van den Akker persoonlijke observaties over alledaagse, minder alledaagse en historische zaken in Zuid Afrika.
  • Archief

  • Enter your email address to follow this blog and receive notifications of new posts by email.

    Voeg je bij 114 andere volgers

  • Categorieën